zondag 29 september 2019

12 oktober : de nacht van de duisternis


Afbeeldingsresultaat voor nacht van de duisternis 2019


Op de Nacht van de Duisternis van 12 oktober 2019 doven verschillende gemeenten de verlichting voor een avond en kunnen inwoners even proeven van de rust en gezelligheid van een donkere nacht. Met Nacht van de Duisternis zetten Preventie Lichthinder en de Werkgroep Lichthinder (VVS) de impact van lichtvervuiling in de kijker. Want er wordt te veel en verkeerd verlicht.

Nachtverlichting hangt nauw samen met de graad van verstedelijking, en wetende dat België een van de meest verstedelijkte landen ter wereld is, gaan we daar samen actief iets aan doen!

Doof thuis de lichten en maak met buurtbewoners, vrienden en familie in plaats van een daguitstap, een nachtuitstap (kaarsjes en fakkels zijn toegestaan!). Stippel een leuke route uit, ga op stap en ontdek dat de wereld der duisternis veel verrassingen in petto heeft. Herken je de grote beer? Herken je andere sterrenbeelden? Kan jij vleermuizen, nachtvlinders of uilen spotten?

Wil je meer info over de nacht zelf en zeker over de leerrijke activiteiten die dan speciaal plaats vinden, kan je zeker terecht op o.a. deze 2 sites :




Afbeeldingsresultaat voor nacht van de duisternis 2019

4 Mythes over spinnen


Bert Van Der Krieken


Herfsttijd. Dat betekent dat de (grote) spinnen weer naar je woonkamer verhuizen of een feestje bouwen in je badkuip. Maar is dat wel zo? We halen vier grote mythes over spinnen onderuit, zoals de hamvraag "Hoe weer je spinnen uit je huis


Herfst = spinnentijd

De meeste spinnen zijn in de lente al volwassen. Wie er op let, ziet meer spinnen. Al zijn het in de lente kleinere soorten dan de grote spinnen die je nu ziet kruipen.


Als je één spin ziet, zit er nog een tweede.

Misschien weet je het liever niet, maar er zitten meer dan 2 spinnen in je huis. Ze wonen in de kleinste hoekjes, kieren en gaatjes. Dat je ze niet ziet, wil niet zeggen dat ze er niet zijn. Twee keer per jaar zien we de grotere huisspinnen, omdat ze dan niet in hun web zitten. In de herfst gaan de mannetjes op zoek gaan naar een vrouwtje om te paren.


Spinnen kruipen uit het afvoerputje.

Wees gerust: er wonen geen spinnen in de afvoer van je bad. Wat doen ze dan wel in de badkuip? De mannetjes zijn nu actief en kunnen tijdens hun tocht in je bad schuiven. Daar geraken ze niet meer uit omdat de wanden te glad zijn. Wil je liever niet opgeschrikt worden door zo’n groot beest in je bad? Een handdoek of badmat die over de rand hangt, werkt prima als ontsnappingsroute.


Trucjes om spinnen uit je huis te weren.

Pepermuntolie, kruimels opruimen, goed poetsen of een kat in huis nemen ... de “tips” die op internet circuleren, hebben geen effect. Beter is het om vrede te sluiten met de kruipers en hun aanwezigheid te accepteren. Spinnen tonen aan dat je een gezond binnenklimaat hebt. Het zijn bovendien nuttige dieren die je van andere insecten verlossen, en zijn belangrijk voor het ecosysteem.


Meer weten of spinnen leren herkennen? Kijk op www.natuurpunt.be/spinnen of volg een cursus over deze kleine en grote kruipers.

maandag 4 februari 2019

Over snoeiafval en vlindereitjes

Daan Van Eenaeme
Op de gesnoeide takken is echter veel leven aanwezig. Overwinterende spinnen, wantsen, lieveheersbeestjes. Sommige dag- en nachtvlindersoorten overwinteren zelfs als zelfs kleine pop of als eitje tussen de knoppen of bladoksels van de waardplant. Hoe klein hun eitjes ook zijn, toch kunnen die vrij goed worden opgespoord. Voor een aantal soorten zijn de eitjes zelfs gemakkelijker te vinden dan de volwassen vlinders. Dat maakt eitjes zoeken dan ook erg interessant.
Dat is zeker het geval voor de Eikenpage en de zeldzamere Iepenpage. Beide dagvlindersoorten zetten hun eitjes graag af hoog in de bomen, een plek waar je als vlinderonderzoeker niet zo gemakkelijk komt. Gesnoeide takken bieden dan een uitgelezen kans om die takken te onderzoeken op de aanwezigheid van eitjes. In Vlaanderen kan je op gesnoeide takken van Zomereik, Sleedoorn of Ruwe Iep dan vrij gemakkelijk de aanwezigheid resp. Eikenpage, Sleedoornpage en Iepenpage vaststellen. In Wallonië kan een dergelijk takkenonderzoek ook eitjes van de Bruine eikenpage en de Pruimenpage opleveren. Maar ook eitjes van nachtvlinders (zoals de Plakker op Zomereik en de Blauwrandspanner en Meidoornuil op Sleedoorn) kunnen op snoeiafval met enige moeite worden ontdekt.
Zijn eitjes op snoeihout verloren?
Eitjes op gesnoeide takken worden meestal - samen met die takken - verhakseld of verbrand. Is dat niet het geval en blijven de takken intact, dan zullen de eitjes in het voorjaar uitkomen, op hetzelfde ogenblik als de eitjes op de niet gesnoeide takken. Maar rupsen die uitkomen op snoeihout hebben geen toegang tot vers ontluikende bladeren, zullen dus geen voedsel vinden en verhongeren. Mogen bomen hagen in de winter dan niet meer worden gesnoeid? Toch wel. Snoeien is een noodzaak om bomen en hagen levenskrachtig te houden en het beste moment voor een goede snoeibeurt blijft de winter. Om echter niet alle eitjes van een soort in één keer weg te snoeien (en daarmee het voortbestaan van een lokale populatie mogelijk in het gedrang te brengen) is gefaseerd snoeien een must: niet alle bomen ineens, niet de ganse houtkant maar slechts een deel ervan deze winter, een ander deel volgende winter. Zo kan hopelijk de helft van de eitjes toch ‘gewoon’ uitkomen en op hun beurt zorgen voor een nieuwe generatie.
En toch zijn eitjes op snoeihout nog niet helemaal verloren. Zeker wanneer er gemotiveerde vlinderkenners een reddingsactie op het getouw zetten. Takken met eitjes kunnen worden ingezameld en kunnen best aan een nog levende boom (uiteraard van de juiste soort) worden vastgebonden. Zo zullen de eitjes perfect op tijd uitkomen, kunnen de rupsen zich voeden met de ontluikende bladeren van hun ‘pleegboom’ kunnen ze hun levenscyclus voltooien.  
Samengebonden twijgjes
Samengebonden twijgjes: als het eitje van de sleedoornpage uitkomt, kan de rups overstappen op een levende tak (foto: Daan Van Eenaeme).

87 eitjes gered in Sint-Maria-Oudenhove
In Sint-Maria-Oudenhove onderzocht de dagvlinderwerkgroep van de Vlaamse Vereniging voor Entomologie (VVE)  recent alle takken van een gesnoeide strook Sleedoorn. In totaal werden 87 eitjes gevonden. Een mooie reddingsactie. De Sleedoornpage is in Vlaanderen immers een Rode Lijst-soort die elke hulp kan gebruiken.
Waar zoek je eitjes?
De eikenpage komt over het hele land voor en is een algemene soort: zelfs een alleenstaande eik kan volstaan als leefgebied voor deze vlinder. De sleedoornpage is wijdverbreid in de Leemstreek, maar ontbreekt op de zandgronden. Ook de iepenpage wordt vooral op zware bodems waargenomen, maar lijkt de laatste jaren uit te breiden.
Reddingsactie Sleedoornpage
Reddingsactie van sleedoornpage-eitjes (foto: Daan Van Eenaeme)
Wat kan je doen met de geredde eitjes?
Wanneer je echt geïnteresseerd bent in de andere stadia van de vlinder dan kan je natuurlijk proberen de eitjes tot volwassen vlinders te kweken. Op die manier kan je erg veel bijleren over de vraatpatronen van de rups, waar de rups gaat rusten op de plant en hoe de pop eruit ziet. Vanzelfsprekend laat je de vlinders los waar de eitjes vandaan kwamen. Als het habitat of de waardplanten natuurlijk volledig zijn verdwenen kan je ze beter vrijlaten bij de dichtstbijzijnde populatie.
Tekst en foto's: Daan Van Eenaeme

zaterdag 22 september 2018

Spinnentijd: 5 misverstanden over achtpotigen

In de herfst komen ze massaal naar binnen, ze kruipen in je mond terwijl je slaapt en ze verplaatsen zich via afvoerbuizen: spinnen vallen ten prooi aan de meest fantasierijke verhalen. Maar wat is er eigenlijk van aan?

Paul Wouters/Marianne Horemans

1/ Komen ze in de herfst binnen?

Spinnen zitten het hele jaar door in huis, maar tegen de intrede van de herfst zie je ze vaker en vaker opduiken. Dan worden de mannetjes van enkele grotere huisspinsoorten volwassen en verlaten ze hun web, op zoek naar een partner. In een huis dat gemiddeld onderhouden wordt, zouden op bepaalde piekmomenten vele honderden exemplaren leven. Spinnen zijn vaak piepklein, en verschuilen zich in valse plafonds, meubels of hoekjes. Vaak zijn ze ook vooral ‘s nachts actief.

Afbeeldingsresultaat voor spider attic

2/ Verplaatsen spinnen zich via afvoerbuizen?

Toch niet. De spinnen die je in bad aantreft, zijn er per ongeluk langs boven in gesukkeld. Omdat ze niet tegen de gladde wanden kunnen opklauteren, zitten ze er vast. Het gaat dan vooral om huisspinnen. Een aantal andere spinnensoorten, zoals renspinnen, zijn wel in staat om tegen gladde, verticale oppervlakken omhoog te lopen.

Afbeeldingsresultaat voor spider in the house

3/Is het waar dat we 's nachts spinnen inslikken?

Het is een hardnekkige legende, maar geen enkel wetenschappelijk onderzoek heeft het ooit bevestigd en het is hoogst onwaarschijnlijk. Ook vanuit het standpunt van de spin zou het geen goed idee zijn. Doordat een spin koudbloedig is, voelt over een mens lopen voor haar aan alsof ze op een heet oppervlak zit. Er is een groot temperatuursverschil tussen kamertemperatuur (ca 20°C) en de mensenhuid (ca 36 °C). Via aanraking proeft ze ons en via de zintuighaartjes op haar poten neemt ze de trillingen en luchtverplaatsingen waar die mensen veroorzaken. De kans is erg klein dat een spin het risico neemt om zo’n totaal verschillende omgeving van degene waarin hij gewend is om te leven, te gaan betreden.

Afbeeldingsresultaat voor spider flames

4/ Zijn ze dit jaar groter dan anders?

“Zijn de huisspinnen groter geworden?” Die vraag heb je je wellicht ook al gesteld wanneer je een joekel van een huisspin achter je kast of onder je bed tegen kwam. Ook in de media gonst het al een poosje dat de huisspinnen dit jaar opvallend groter zijn dan de voorbije jaren. Vooral in stedelijke omgevingen zouden ze spontaan een fikse groeiboost hebben gekregen. Maar niets is wat het lijkt. De verklaring ligt namelijk in het succes van de grote zus onder de huisspinsoorten: de grote huisspin. De perceptie dat de huisspinnen groter zijn berust op het feit dat onze grootste huisspinsoort, de grote huisspin, vaker wordt waargenomen dan de andere, kleinere huisspinsoorten. Aangezien de grote huisspin de voorkeur geeft aan warmere omgevingen, hoeft dan ook niet te verbazen dat de uit de kluiten gewassen huisspinsoort het extra goed doet in steden, die doorgaans warmer zijn dan landelijke omgevingen. De mannetjes van de grote huisspin zijn echte kleppers. Ze beschikken over enorme poten die tot zeven centimeter lang kunnen worden, wat een behoorlijk indrukwekkend zicht kan opleveren.

Afbeeldingsresultaat voor spider small                Afbeeldingsresultaat voor biggest spider in the world

5/ Zijn spinnen gevaarlijk?

Wereldwijd zijn er meer dan 47.000 soorten bekend. In ons land kan je zo'n 700 soorten in het wild aantreffen. Op twee soorten na zijn ze allemaal giftig. Maar, geen paniek: het gif van onze Belgische spinnen is enkel geschikt om kleine prooien te verlammen en zal dus hoogstens een klein rood stipje kunnen veroorzaken. De meeste spinnensoorten in België zijn niet in staat om door de huid te bijten als ze dat al zouden willen, en de rest zal enkel bijten als ze zich bedreigd voelen. De vrees voor spinnen is dus nogal ongegrond. Bovendien staan ze aan onze kant, al is het maar door in huis insecten te verorberen die mensen schade kunnen berokkenen. Het beste is er gewoon mee samen te leven en ze zeker niet te doden. Wil je ze toch liever het huis uit? Zet er dan voorzichtig een glas overheen en transporteer ze naar buiten.
Afbeeldingsresultaat voor spider eating mosquito

Tekst: Koen Van Keer, Arabel (natuurpunt.be)


Afbeeldingsresultaat voor sweet spider

zaterdag 15 september 2018

Het nieuwe Greenteam is er klaar voor !

Deze leerlingen,vol van energie en liefde voor de natuur, staan te popelen om zich af en toe eens vrijwillig in te spannen voor onze Moeder Aarde! Dikke duim ... het Molenschip is trots op jullie talrijke opkomst !

eerste leerjaar :
Gasalak, Kürsat, Mouhammed, Lukas,Jaden, Kjento, Mustafa Kerem, Elena, Firdaus, Jayden, Kylian, Evert, Dorian en Sandro

tweede leerjaar :
Zyan, Zehra, Iluna, Iliano, Gülcin, Veysel, Sheldon, Rania, Hira nur, Zina en Wafaa 

derde leerjaar :
Fadime, Jolan, Kemal, Simon, Destan, Tabitha, Antoine en Atmari

vierde leerjaar : 
Rhode, Anita, Medine, Aylin, Azra, Tiago en Igor

De leerlingen van het vijfde en zesde leerjaar hebben het dit schooljaar al zo druk met andere projecten dat wij ze zeker niet extra willen belasten. Iedereen weet dat er zeker "kadetjes" tussen zitten met een groen hart en handige handen en ze zijn natuurlijk altijd van harte welkom bij een activiteit.








vrijdag 27 juli 2018

Zo vermijd je dat dieren met dorst verdrinken

Rollin Verlinde
Zoogdieren, vogels, insecten en zelfs amfibieën trekken in een kurkdroge periode op zoek naar water. Maar dat loopt soms verkeerd af: egels verdrinken in vijvers met te steile oevers, steenuilen in veedrinkbakken en zelfs kikkers leggen het loodje in zwembaden. Dit kan je doen om drama's te vermijden.
Waterpartijen met te steile wanden
De meeste dieren halen een groot deel van het vocht dat ze nodig hebben uit hun voedsel zoals slakken, regenwormen, insecten, bessen of zaden, planten of nectar. Dat vocht wordt aangevuld met een slokje uit een plas of druppels ochtenddauw. Maar slakken en andere vochtrijke prooien hebben zich de voorbije weken in de vegetatie of onder houtstapels verscholen, heel wat plassen zijn opgedroogd en dauw is er nauwelijks. Bovendien valt er een stevige achteruitgang van het aantal veedrinkpoelen op te tekenen in de afgelopen eeuw: 50-90% in Europa (Oertli 2005). 
In hun zoektocht naar water kunnen dieren in de verleiding komen om uit een zwembad of vijver te drinken. Maar wanneer die voorzien zijn van steile wanden, bestaat het risico dat ze in hun dorstige bui in het water belanden en is het quasi onmogelijk om opnieuw aan land te geraken en sterven ze een verdrinkingsdood.
Ook vogels kunnen verdrinken in vijvers, veedrinkbakken of andere waterpartijen met steile wanden. Ze belanden tijdens hun zoektocht naar een bad of om hun dorst te lessen in het water. De combinatie van natte vleugels en steile wanden zorgt er vaak voor dat ze niet meer uit hun ‘badplaats’ geraken en verdrinken. Door zelf drinkwater voor wilde dieren of uitstapmogelijkheden te voorzien, kunnen we verdrinkingsslachtoffers helpen voorkomen.
Voor deze Grauwe klauwier die terecht kwam in een badkuip die dienst doet als veedrinkbak in Schulen, kwam elke hulp jammer genoeg te laat. (foto: Kristien Hustinx)
Drinkwater voorzien
Zet in droge, warme periodes een ondiepe drinkschaal met een lage rand in de tuin. Zo wordt de kans kleiner dat dieren in de verleiding komen om van een potentieel gevaarlijke waterbron te drinken. Ververs het water regelmatig: in stilstaand water kunnen bacteriën zich immers snel ontwikkelen en ook die kunnen gevaarlijk zijn voor de gezondheid van drinkende dieren. Vogels houden ervan een bad te nemen om stof en parasieten uit hun verenkleed te spoelen. Zorg er dan ook voor dat de schaal groot genoeg is en plaats ze bij voorkeur op een verhoogde plaats zodat katten er niet bij kunnen. Kleine zoogdieren voorzie je dan weer best van een drinkplaats op de grond in de buurt van wat struiken.
Vijvers
Nog beter is een (al dan niet aangelegde) vijver of poel met zachtglooiende oevers. Heb je reeds een vijver in de tuin, maar heeft ze steile (of gladde plastieken) wanden? Voorzie dan  uitstapmogelijkheden: een loopplankje of een ruw materiaal (bv. fijnmazig raster) tegen de rand waarlangs dieren de waterpartij gemakkelijk kunnen verlaten. Breng je een loopplank aan, zorg er dan voor dat die niet dwars op de oever staat, maar evenwijdig met de oever (zoals een trap tegen een muur). De dieren zwemmen langs de steile oever heen en weer op zoek naar een uitstapplaats en zouden anders onder de loopplank doorzwemmen. Ook met een aantal ruwe (lage) bakstenen of keien kan je een trapje in de vijver maken.
Egeltrap (foto: Liesbeth Hemelrijk)
Zwembaden
Het typische zwembad heeft geen glooiende oevers en daar is ook moeilijk verandering in te brengen. Toch zijn er oplossingen mogelijk om de dieren die erin sukkelen te redden van de verdrinkingsdood. Voor amfibieën werd bijvoorbeeld de FrogLog en de kikkertrap ontwikkeld. Natuurpunt raadt echter aan om materiaal aan te brengen dat niet alleen voor amfibieën, maar ook voor zoogdieren beklimbaar is zoals een strook Enkamat(R) of een gesloten uitstapbrugje zoals de Skamper Pet Pool Ramp. Indien mogelijk, sluit je je zwembad best af met een zeil wanneer het niet gebruikt wordt. Zo voorkom je ook in andere seizoenen verdrinkingsslachtoffers.
Veedrinkbakken
Vogels (zoals kerkuilen, steenuilen en klauwieren) worden wel eens dood aangetroffen in veedrinkbakken. De Nederlandse steenuilwerkgroep STONE ontwikkelde daarom een steenuilvriendelijke veedrinkbak: deze grote ‘slazwierder’ zorgt ervoor dat steenuilen weer uit het water kunnen klimmen. Maar ook een bestaande veedrinkbak (zoals de traditionele afgedankte  badkuipen) kunnen worden aangepast om verdrinkingsslachtoffers te voorkomen: maak een trapje van stenen of keien in de bak of bevestig een opklimbaar materiaal zoals Enkamat(R) of een ander fijnmazig en roestbestendig rooster.
Knikkers voor bijen
Ook bestuivers zoals bijen, vlinders en andere insecten, snakken tijdens een droge periode naar water. Omdat zij al verdrinken in een eenvoudig schaaltje water, kun je hen helpen door een schaaltje te vullen met knikkers of keitjes en water. De steentjes of knikkers geven de bij een plek om te landen van waar ze veilig kunnen drinken.
Dier in nood gevonden?
Vind je toch een dier dat verzwakt is door uitdroging of bijna aan uitputting bezweken was in een waterpartij? Breng het dan zo snel mogelijk naar een opvangcentrum voor wilde dieren.
Tekst: Diemer Vercayie & Griet Nijs, Natuurpunt Studie
Foto’s: Rollin Verlinde, Kristien Hustinx, Liesbeth Hemelrijk

het vlinder-telweekend komt er aan !


Hoe werkt Het Grote Vlinderweekend?

bron : www.natuurpunt.be
Tel mee met Het Grote Vlinderweekend 2018
Tel op 28 en 29 juli 2018 de vlinders in je tuin en geef de aantallen door aan Natuurpunt.

Stap 1. Leer vlinders herkennen

Kan jij een atalanta van een oranje zandoogje onderscheiden? Om je te helpen de vlinders in je tuin te herkennen, zijn er verschillende hulpmiddeltjes: 
Heb je een soort niet gevonden? Stuur je foto en je vraag door naar onze vlinderexpert

Stap 2. Tel de vlinders in je tuin

Hoe moet je vlinders tellen tijdens het vlinderweekend?
  • Loop tijdens het telweekend minstens een kwartiertje door de tuin en noteer alle vlinders. 
  • Zet een streepje voor elke vlinder van elke soort die je ziet, maar let op dat je dezelfde vlinder niet dubbel telt. Om de vlinders te noteren kan je de folder of het telformulier gebruiken.
  • Kies een zonnig moment, want dan vliegen de meeste vlinders in je tuin.
  • Tel je de volgende dag weer, dan geef je een nieuwe telling door.
  • Ook als je geen enkele vlinder ziet, is het belangrijk om het te melden.

Stap 3. Geef je telling door

Vanaf zaterdag 28/07/18 tem zondag 29/07/18 kan je je telling hier doorgeven. Zo help je om de gegevens sneller te verwerken. En je spaart papier.

GEEF HIER JE RESULTATEN DOOR

Ook als je geen enkele vlinder ziet, is het belangrijk om het te melden.

Met steun van

logo vlinderweekend 2018

Overleeft merel nog een uitbraak van het usutuvirus?

Kevin Feytons

In 2016 werden 15% minder merels geteld na de uitbraak van het usutuvirus, vorig jaar verloren we zelfs meer dan de helft van de lijsterachtigen. Dat blijkt uit monitoring door Natuurpunt. Maar er lijkt nog meer onheil op komst: de afgelopen dagen kwamen er opnieuw verschillende meldingen binnen van zieke merels. Natuurpunt en Vogelbescherming Vlaanderen roepen op om slachtoffers te melden via waarnemingen.be en zieke dieren binnen te brengen in een van de vogelopvangcentra om verdere verspreiding af te remmen. Het virus verspreidt zich via muggen en is niet te genezen.
Enkele vogelopvangcentra kregen de afgelopen dagen slachtoffers binnen. En ook elders worden veel verzwakte dieren gezien. Het gaat net als bij vorige uitbraken vooral om merels. Officieel vastgesteld is het nog niet, maar het lijkt erop dat we voor het derde jaar op rij te maken krijgen met een usutu-uitbraak. De uitbraak komt zo’n 10 dagen vroeger dan vorig jaar.
Het usutuvirus is een arbovirus en alleen steekmuggen kunnen het verspreiden. In 1959 werd het ontdekt in Afrika. De eerste Europese uitbraak vond plaats in Oostenrijk in 2001. Daarna verspreidde het zich snel en waren er uitbraken in onder meer Spanje, Italië, Kroatië, Hongarije, Oostenrijk, Zwitserland, Tsjechië, Duitsland, België en Nederland.
In 2016 sloeg het virus vooral toe in de provincies Limburg en Antwerpen. In 2017 breidde het zich verder uit naar Oost-Vlaanderen en de oostelijke rand van West-Vlaanderen. Gevreesd wordt dat deze derde uitbraak heel Vlaanderen zal treffen.
Merels zijn hypergevoelig voor het virus, maar ook andere soorten, zoals huismussen en uilen leggen hier en daar het loodje. In Duitsland werden 87 vogelsoorten uit 14 families als usutuslachtoffer geregistreerd. In 2013 stierven in Duitsland ook 2 gewone dwergvleermuizen aan het virus. Vorig jaar werden in België ook enkele gierzwaluwen geregistreerd als slachtoffer.

Rake klappen voor de merel
Natuurpunt analyseerde de impact van het virus. Tijdens de eerste, vrij beperkte usutu-uitbraak in 2016, die zich voltrok in de oostelijke helft van Vlaanderen, zakte de meldingsfrequentie van merels in augustus-september 2016 met 15%, in de lente van 2017 (na aankomst van noordelijke merels) bleef hun aantal 10% onder de normale waarde. In juli-augustus 2017 volgde een crash van meer dan de helft van de broedpopulatie. Dit keer over een groot deel van Vlaanderen. In het najaar van 2017 zagen we met de aankomst van noordelijke merels opnieuw een herstel, maar in de lente van 2018 viel de meldingsfrequentie terug tot nog eens 10% onder die van 2017.  
 
Wat deze derde uitbraak zal betekenen, is nog niet duidelijk. Maar de vooruitzichten zijn slecht: het muggenseizoen kan nog lang aanhouden en hun aantal kan flink toenemen wanneer de regen zich aanbiedt. In juli-augustus kondigt zich bovendien de rui aan, dan vervangen merels een groot deel van hun verenpak. Dat vraagt veel energie en een goede gezondheid. De merelhuid is op dat moment veel gemakkelijker bereikbaar voor steekmuggen, wat de verspreiding van het virus mogelijk versnelt.
De steekmug draagt de ziekte over en het slachtoffer dient als een soort ‘versterker’. Het usutu-virus verspreidt zich gemakkelijker in een stedelijke omgeving en tast daarom vooral echte stadsvogels (zoals de merel) aan. Muggen die een drager van het virus steken, zorgen voor de verdere verspreiding.
Hoe herken je een vogel met usutu?
  • verzwakte of lusteloze indruk
  • verkramping
  • plotselinge sterfte
  • coördinatieproblemen
  • bol zitten
  • vermagering

Let steeds op een combinatie van deze factoren. Een gezonde, ruiende merel ziet er rommelig uit en merels die een stofbad nemen (met gespreide vleugels en geopende snavel op de grond liggen) kunnen voor verwarring zorgen.
Wat te doen?
Waarnemers of wandelaars die duidelijk verzwakte vogels aantreffen reageren best snel. Hoewel slechts een deel van de slachtoffers gevonden wordt, kan het verwijderen van zieke, maar nog levende usutumerels de verspreiding helpen vertragen. Neem vermoedelijke slachtoffers op met een handschoen en stop ze in een goed verluchte kartonnen doos. Bezorg de slachtoffers zo snel mogelijk aan een van de erkende vogelopvangcentra en maak melding dat je vermoedt dat het om het usutu-virus gaat. Ontsmet eventuele wondjes op de handen en was je handen grondig na het vastnemen van een vogel.
In besmette gebieden in Italië bleek 6% van de onderzochte mensen antistoffen te hebben aangemaakt. Mensen kunnen het virus dus wel oplopen, maar worden er zelf niet ziek van. Bij het aanraken van wilde dieren is het hoe dan ook beter om voorzichtigheid aan de dag te leggen.
Je kan er ook voor zorgen dat steekmuggen zich minder massaal kunnen voortplanten rond de bewoning. In drogere jaren en warmere periodes zoals nu, blijft er vooral in kunstmatige (ondoordringbare) voorwerpen lang genoeg water staan voor de voortplanting van muggen (zoals emmers, vaten, tonnen en autobanden). Door die voorwerpen af te dekken, of leeg te kieperen verhinder je de voortplanting van muggen en kan je je steentje bijdragen in het tegengaan van de verdere verspreiding van het virus.
Breng mee de slachtoffers in kaartWe willen opvolgen waar de meeste slachtoffers vallen en hoe snel het virus zich verspreidt. Om zoveel mogelijk gegevens te verzamelen, roept Natuurpunt waarnemers of vinders van slachtoffers op om hun vaststellingen (na een eenvoudige registratie) in te voeren op www.waarnemingen.be. Voer de exacte locatie in en kies in het venster ‘Gedrag’ voor ‘ziek/gewond’ of ‘vondst (dood)’ en gebruik het vak ‘Opmerkingen’ om duidelijk te maken dat het vermoedelijk/mogelijk om het usutu-virus gaat. Voeg hier eventueel een omschrijving van de waargenomen symptomen toe.
bron : www.natuurpunt.be
Tekst: Gerald Driessens, Natuurpunt Studie & Frederik Thoelen, Vogelbescherming Vlaanderen
Foto: Kevin Feytons

zaterdag 12 mei 2018

Daarom loop ik rond een web

De Tweet bekijken van @roosvonk: https://twitter.com/roosvonk/status/994916692231905281?s=09

met zoveel toewijding en geduld gemaakt. RESPECT

donderdag 10 mei 2018

Boomkikker roept weer in koor dankzij vrijwilligers Natuurpunt

Rollin Verlinde / Vilda
Eind jaren 90 ging het steil bergaf met de boomkikker in Vlaanderen. Alerte natuurbeschermers van onder meer Natuurpunt Diepenbeek sprongen in de bres en dat heeft geloond: vorige zomer konden de vrijwilligers al grote aantallen boomkikkers in de Dauteweyers vaststellen. En dit voorjaar kwam dan verlossend nieuws: voor het eerst in 20 jaar weerklonk een roepkoor in natuurgebied De Maten in Genk en Diepenbeek. Het teken dat de soort van de ondergang gered is?
Afbeeldingsresultaat voor hyla arborea
De hoopgevende ontdekking gebeurde tijdens een inventarisatieronde in het kader van het Meetnet knoflookpad door Bert Vandebosch, een lid van Hyla (de amfibieën en reptielenwerkgroep van Natuurpunt), in De Maten in Genk en Diepenbeek.
De boomkikker is zeker geen onbekende in Genk en omstreken. Eind jaren 90 werd in de Maten nog één van de grootste roepkoren aangetroffen van de felgroene kikker, maar helaas ging het daarna steil bergaf met de soort in heel Vlaanderen. Reden: een exotische vis, de blauwbandgrondel, koloniseerde de voortplantingswateren en had het gemunt op de larven. Bovendien kampte de soort al met versnippering van haar leefgebied.
Nipt vermeden drama
De Boomkikker dreigde volledig uit te sterven in België. Nipt kon dat drama worden afgewend. Vrijwilligers van Natuurpunt Diepenbeek zetten sinds 2006 regelmatig de vijvers en poelen in de Dauteweyers droog en er werden stapstenen (nieuwe poelen en wadi’s) aangelegd richting De Maten. Op die manier kopieert men de natuurlijke cyclus van moeras- en riviersystemen, waar water en vis wisselend komen en gaan. Zo ontstaan visloze waterpartijen waar tal van amfibieën, maar ook ongewervelden en zeldzame planten van profiteren. Na een aarzelende start boomt vandaag de lokale populatie boomkikker waarbij er nieuwe roepkoren tot op enkele kilometers van het kerngebied ontstaan. De Diepenbeekse populatie groeide zo uit van een handjevol individuen tot meerdere honderden exemplaren in ongeveer 10 jaar tijd.



Dat dit amfibie na bijna 20 jaar van afwezigheid opnieuw De Maten weet te bereiken is een half mirakel. Het is echter niet het eerste ‘straffe nummer’ dat deze soort al wist op te voeren. In Noordoost- en Midden-Limburg  kon de Boomkikker de afgelopen 10 jaar meerdere natuurgebieden (her)koloniseren, maar dit leek heel wat moeizamer te verlopen in de regio/driehoek Hasselt – Genk – Diepenbeek. Oorzaak: de verschillende natuurgebieden liggen hier vaak geïsoleerd, middenin een verstedelijkte omgeving. Het ontbreekt vaak aan robuuste natuurverbindingen en stapstenen, waarbij een uitwisseling van individuen en dus genetisch materiaal mogelijk is. Uitwisseling zorgt namelijk voor robuuste populaties, die minder kans hebben om uit te sterven.
Toch nog reden tot ongerustheid door stichterseffect
Zelfs als de herkolonisatie succesvol is en zorgt voor een grote populatie dan blijft er reden tot ongerustheid. Vaak heb je te maken met het ‘stichterseffect’, waarbij een populatie enkel over het genetisch materiaal van de kleine groep pioniers beschikt. Dat kan tot inteelt leiden. Het is dus niet enkel zaak om een grote populatie te verkrijgen maar ook om een brede genetische basis te behouden. En die verkrijg je enkel door regelmatige uitwisseling van individuen en dus nieuw genenmateriaal. Het principe wordt al duizenden jaren toegepast in landbouwmiddens: landbouwers schaffen zich regelmatig een nieuwe stier of haan aan om hun veestapel ‘gezond’ te houden.

Afbeeldingsresultaat voor hyla arborea


Conclusie: hoewel deze herontdekking bijzonder goed nieuws is -in het bijzonder voor de lokale natuurbeheerders die hun jarenlange inspanningen beloond zien - heeft de boomkikker nog altijd bijzondere aandacht nodig. Cruciaal voor z’n succes is dat er werk wordt gemaakt van robuuste natuurverbindingen en stapstenen in de almaar meer verstedelijkte regio rond Hasselt en Genk.
Wil je bijdragen aan de bescherming van de boomkikker? Neem dan zeker contact op met de Natuurpuntafdelingen GenkHasselt – Zonhoven en/of Diepenbeek.
Tekst: Iwan Lewylle, Natuurpunt Studie & Jos Ramaekers, Natuurpunt Limburg
Foto: Rollin Verlinde, Vilda

Heb je zin om een (amfibieën)soort in je buurt nauwer op te volgen in het kader van de Meetnetten? Neem dan een kijkje op www.meetnetten.be.

maandag 7 mei 2018

De laatste loodjes van ons tuintje

Deze middag zijn enkele groene   leerlingen  onder een brandende zon gestart met een vervelende maar noodzakelijke taak. Ze verwijderden de wortels van brandnetels,distels en andere ongewenste planten. Morgen komt daar de worteldoek op. Ons Molenschiptuintje wordt opnieuw een parel.

*
*
*

donderdag 26 april 2018

Het water zit vol plastic !

Bron: Mashable/ HLN.be

Noordpoolijs zit vol microscopische stukjes plastic.

 

Geen enkele plek op aarde lijkt nog veilig te zijn voor microplastics. Duitse onderzoekers hebben recordhoeveelheden aangetroffen in het Noordpoolijs. 

Wetenschappers van het Wegener Instituut onderzochten in 2014 en 2015 vijf stukken op het eerste zicht ongerept ijs. Onder het verblindend witte ijs aan de oppervlakte schuilde echter een verrassing, schrijven de onderzoekers in hun studie, die gisteren gepubliceerd is in Nature Communications.


Plastics ontdekt in 90% van mineraalwater, ook bij topmerken
.

IJskernen die de onderzoekers uit de bevroren grond haalden, bleken tot 12.000 microscopisch kleine stukjes plastic te bevatten. Dat is meer dan het dubbele dan eerder werd vastgesteld in het Noordpoolijs.
Dat betekent niet dat er nu plots een piek is: het plastic heeft zich decennialang opgestapeld in het ijs. Het verschil is echter dat de onderzoekers een preciezere methode gebruikt hebben om de microplastics te ontdekken. Met een speciale camera vonden ze nu ook de allerkleinste stukjes. Twee derde van het plastic was kleiner dan een mensenhaar, het allerkleinste stukje zelfs maar één zesde van de dikte van een haar.

AFP

Meer dan de helft van de plasticdeeltjes bleek overigens zo klein dat ze met gemak opgegeten konden worden door organismen die in het water leven. Want het verhaal eindigt niet wanneer het plastic in het ijs verstrikt raakt. De drijvende en smeltende ijskap zet het plastic ook af in de oceaan, waar het vervolgens in de voedselketen terechtkomt.

Het plastic bestond in grote mate uit verpakkingsmaterialen, verf, nylon en celluloseacetaat, een materiaal dat gebruikt wordt om sigarettenfilters te maken. Een groot deel ervan is volgens de onderzoekers afkomstig van de zogenoemde plasticsoep, een drijvende vuilnisbelt in het noorden van de Stille Oceaan. De afvalberg daar is enorm, en blijft groeien. De plasticsoep is intussen ongeveer 26 keer zo groot als België en bevat vooral veel polyethyleen, de meest gebruikte soort plastic.

De verf- en nylondeeltjes komen wellicht van de Siberische zeeën op de Noordpool zelf. De onderzoekers denken dat de verf afkomstig is van schepen en de nylonstukjes van visnetten. “Onze bevindingen doen vermoeden dat de groeiende scheepvaart en visserij hun stempel achterlaten.”

dinsdag 17 april 2018

2017 was babyboomjaar voor Adders op het Groot Schietveld

Katja Claus


Dat blijkt uit de tellingen van het adderteam, een groep vrijwilligers die de adderpopulatie van het Groot Schietveld in Brecht al sinds 2000 op de voet volgt. In totaal werd tijdens 2017 een recordaantal van 971 gegevens verzameld, waaronder 84 vangsten van juvenielen. De onderzoekers konden ook enkele effecten van een recente heidebrand in kaart brengen.

Sinds 2012 stijgt het aantal gegevens dat het adderteam bij elkaar sprokkelt jaarlijks. Het afgelopen jaar werd 477 uur gezocht naar adders, en dat leverde 971 waarnemingen op: 894 vangsten, 72 vervellingen, 4 zichtwaarnemingen en 1 dood exemplaar. Opmerkelijk is dat er 84 verschillende juvenielen werden gevangen en gemeten, waarmee het vorige record van 55 juvenielen uit 2013 zowat verpulverd werd. Wat maakt 2017 nu zo’n babyboomjaar? 


Daar zijn verschillende, elkaar aanvullende verklaringen voor te vinden. De meest logische: in 2017 waren veel drachtige vrouwtjes op het terrein, die samen een groot aantal jongen ter wereld brachten. Ten tweede werden de jongen vrij vroeg geboren, al vóór 15 augustus werden de eerste baby’s gevonden, zodat de onderzoekers meer tijd hadden om ze aan te treffen. Bovendien heeft het adderteam over de jaren heen heel wat expertise ontwikkeld om de kleine baby’s (lengte = 14-16 cm, gewicht 3-5 g) in de dichte heidevegetaties op te sporen. Maar bovenal waren de weersomstandigheden in 2017 gedurende lange tijd erg gunstig. 

Baby-adders houden van slecht zomerweer

Door hun geringe afmetingen warmen baby-adders namelijk zeer snel op. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat ze een relatief lage lichaamstemperatuur verkiezen (ca. 28 °C versus ca. 33 °C bij de adulten) en die bereiken ze erg snel, vooral bij volle zon. Tijdens zonnig en warm weer moeten ze maar korte tijd zonnen om hun voorkeurstemperatuur te bereiken, waarna ze tussen de vegetatie verdwijnen om een prooi te zoeken. Bij fris weer of bij hardnekkige bewolking moeten ze langer zonnen of blijven ze gewoon liggen bovenop de vegetatie, goed zichtbaar. Tijdens augustus-september 2017 waren er vrij veel van dergelijke dagen.

Gerelateerde afbeelding

Terugkeer na de brand
Op 21 mei 2016 woedde een heidebrand, die zo’n 3 hectare vernielde in een van de beste adderzoekgebieden van het Groot Schietveld. Het afgelopen jaar werd dit deel van het zoekgebied gedurende 15 dagen uitgekamd. Snel bleek dat het gebied behalve een monotone pijpenstrovlakte ook veel open plekjes met restanten van dood hout, kiemende heideplantjes en mossen bevat. Vooral de randen van dergelijke plekjes, tegen of op het dode hout dat er gestapeld werd, worden erg geapprecieerd door zonnende adders. Het zal de volgende jaren cruciaal zijn om deze plekken open te houden en mogelijk wat te vergroten.

In totaal werden in het verbrande deel 38 verschillende adders gevonden, waaronder 17 volwassen dieren: 5 mannen en 12 vrouwen, waarvan het merendeel drachtig was. Opval- lend was dat er slechts 3 nieuwe dieren werden gevangen, de anderen waren bekenden uit een van de vorige jaren.

Een fijn weerzien was een vrouwtje dat Filip Van Boven de dag na de brand in vrij miserabele toestand fotografeerde. Later in 2016 dook ze op in een nabijgelegen zomergebied met een flinke pas verorberde prooi en zag ze er al heel wat beter uit. In 2017 keerde ze dan terug, dit keer duidelijk drachtig (foto: Filip Van Boven)

Een jaar na de brand en ondanks het overwegend treurige uitzicht van de vergraste vegetatie, zijn vele adders teruggekeerd, vaak naar dezelfde plekjes waar ze voor de brand lagen. Indien de pasgeboren juvenielen binnen enkele jaren het voorbeeld van hun ouders volgen, dan lijkt de toekomst van deze deelpopulatie verzekerd.

Het is echter cruciaal om de hele populatie van het Groot Schietveld van nabij te blijven opvolgen, omdat het een van de grootste en duurzaamste is van West-Europa.

Tekst: Katja Claus, Adderteam & Hendrik Moeremans, Natuurpunt
Foto: Filip Van Boven

Roodborstje tikt tegen ’t raam, maar waarom?


Dagenlang kunnen vogels ermee doorgaan: tegen het raam tikken en fladderen. Van de vroege ochtend tot de late avond. Om gek van te worden. Waarom doen vogels dit en kan het kwaad?

‘Laat mij erin, laat mij erin’, zegt het roodborstje in het kinderliedje. Maar als vogels tegen een raam tikken willen ze echt niet naar binnen. Sommige mensen denken dat ze bedelen, maar ze willen ook geen eten. Het enige wat ze willen is die rotvogel verjagen die daar in hun territorium zit.

Onherkenbaar spiegelbeeld

Het is moeilijk voor te stellen, maar vogels herkennen hun eigen spiegelbeeld niet, met uitzondering van eksters. Ze snappen niet dat ze zichzelf zien in een raam of spiegel en denken dat hun reflectie een andere vogel is. En in het broedseizoen, is een andere vogel al snel een indringer in hun territorium. Die moet weg.

In dit filmpje is goed te zien hoe een koolmees zichzelf wil weghouden bij zijn eigen nest.

Totaal uitgeput

Het broedseizoen is dan ook de periode waarin veel soorten vogels los kunnen gaan op het raam. Ze proberen die vreemde spiegelvogel te imponeren en te verjagen en soms komt het tot heuse gevechten. Die kunnen zo lang en hevig doorgaan, dat de vogel totaal uitgeput raakt en helemaal niet toekomt aan zijn belangrijkste taak: jongen groot krijgen.

Wat kunt u doen?
De raamtikker heeft dus stress en het is ook nog eens onrustig voor u. Stop dit gedrag daarom door tijdelijk wat tegen de buitenkant van het raam te plakken, zodat het niet meer spiegelt. Het maakt niet uit wat, maar een tip is: doorschijnend, zelfklevend huishoudfolie. Vaak breekt het de spiegeling genoeg, is gemakkelijk te plaatsen en laat nog wel licht door.

Afbeeldingsresultaat voor roodborstje

Spiegelproef

De spiegelproef is een manier om te onderzoeken of dieren zichzelf herkennen in een spiegel. Ze krijgen een stip op hun hoofd en worden voor een spiegel gezet. Als ze de stip vervolgens aanraken of afvegen op hun eigen hoofd, hebben ze gesnapt dat ze zichzelf zien. Mensen kunnen dit rond hun tweede levensjaar. Mensapen, dolfijnen en Aziatische olifanten doorstaan de proef, maar ook eksters staan in dit korte rijtje! Wat een bijzondere vogels zijn het toch.


bron : https://www.vogelbescherming.nl/

Waterspitsmuis verschalkt kikkers met giftige beet



Hugo Willocx
Een giftige beet associëren we doorgaans met exotische slangen en schorpioenen. Maar ook onze schijnbaar onschuldige waterspitsmuis gebruikt de techniek om prooien te verschalken die een stuk groter zijn dan zijzelf. Onderzoekers van de universiteit van Poznan (Polen) zochten uit hoe de spitsmuis er haar voordeel mee doet.
De onderzoekers voerden een reeks experimentele laboratoriumexperimenten uit met 24 waterspitsmuizen en 26 gewone bosspitsmuizen. Alleen waterspitsmuizen beschikken over de mogelijkheid om gif aan te maken, waarmee ze hun prooi zouden kunnen verlammen.
Afbeeldingsresultaat voor Neomys fodiens
Om te achterhalen hoe waterspitsmuizen hun voordeel doen met hun gifbeet, werden de 2 soorten spitsmuizen in een terrarium geconfronteerd met verschillende potentiële prooien: van kleine insecten over regenwormen tot kikkers en padden die een stuk groter waren dan zijzelf. Er werd ook telkens een beschutte ruimte voorzien waar de muizen hun buit konden hamsteren. De onderzoekers filmden de ‘arena’ en analyseerden alle aanvallen in detail.
De onderzoekers verwachtten dat de kleinere insecten onmiddellijk verorberd zouden worden, en dat ze grotere prooien als kikkers en padden zouden hamsteren. Dat laatste heeft een namelijk belangrijk voordeel: door minder heen- en weer te moeten lopen met prooien, is er voor de spitsmuizen minder risico om zelf gevangen te worden door belagers als roofvogels of grotere zoogdieren.
Afbeeldingsresultaat voor waterspitsmuis
Het gif werkt, voor onbesuisde muizen
Uit het onderzoek blijkt dat hun gif de waterspitsmuizen geen windeieren legt: ze kunnen zelfs grote kikkers verschalken, terwijl dat de bosspitsmuizen niet lukte. Bovendien verspillen waterspitsmuizen minder tijd en energie aan het bijeenzoeken van hun kostje en helpt het hen om voedsel te hamsteren.

Toch blijkt het gif zelf onvoldoende om kikkers te overtroeven. In tegenstelling tot wat verwacht werd, kozen waterspitsmuizen ervoor om hun tegenstanders te immobilseren door hard en veel te bijten in de achterpoten van kikkers. Dat is niet echt logisch: gif werkt beter als het in de buurt van het hoofd geïnjecteerd wordt. De onderzoekers konden ook niet vaststellen dat kikkers verlamd geraakten door het gif, wat soms te zien is bij de kevers of regenwormen. Het bijten in de achterpoten zorgde er waarschijnlijk voor dat de kikkers niet meer konden ontsnappen aan de aanval van de Waterspitsmuis.  
Het lijkt er dus op dat het de combinatie is van het gif én de grotere dapperheid van de Waterspitsmuizen dat ze hun slag thuishalen tegen kikkers. Waterspitsmuizen zijn trouwens een stukje groter dan gewone bosspitsmuizen. Maar de onderzoekers hielden rekening met de verhouding tussen de massa van de predator en die van de prooi.
Afbeeldingsresultaat voor waterspitsmuis
  Padden blijven maatje te groot
Padden blijven, zowel voor gewone bosspitsmuizen als waterspitsmuizen, een maatje te groot. Waterspitsmuizen durfden de aanval wel te openen, in tegenstelling tot bosspitsmuizen, maar haalden nooit het pleit.

Dat lijkt voor een deel te verklaren door hun giftige huid. Op een van de filmpjes van de onderzoekers is duidelijk te zien hoe een Waterspitsmuis z’n snuit nerveus begint te poetsen met z’n voorpoten na een beet. Na de eerste beet, hielden alle waterspitsmuizen in dit experiment er meteen mee op.
Bovendien bleken padden zich ook veel efficiënter te kunnen verdedigen tegen muizen dan kikkers, door met hun poten te trappen of door met hun hoofd te slaan. Kikkers kozen vooral voor vluchten en alarm slaan. 
Voor ongewervelden (die het hoofdaandeel uitmaken van een spitsmuizendieet) blijken de verschillen gering. Die werden toch onmiddellijk opgegeten. Maar hoe groter de prooi was, hoe meer de waterspitsmuis in het voordeel was ten opzichte van de andere spitsmuizen. Gif aanmaken kost dan wel energie, toch blijkt het een prima evolutionaire investering.
Tekst: Hendrik Moeremans, Natuurpunt
Het onderzoek werd gepubliceerd in het vakblad Journal of Mammalogy (2018)
Foto: Hugo Willocx